Hoe je gezond blijft | Preventieresourcecentrum

III. Niet-Theïstische Geloofsovertuigingen

III.I. Theïsme is geen Essentieel Kenmerk van Religie

Het staat vast dat theïsme (dat wil zeggen monotheïsme, polytheïsme en pantheïsme) geen essentieel kenmerk van religie is. Zowel door geleerden als leken worden geloofsovertuigingen die duidelijk niet-theïstisch zijn, beschouwd als religies. Hieronder volgen voorbeelden van dergelijke religies.

III.II. Boeddhisme – Een Niet-theïstische Religie

Het boeddhisme is geen stelsel van theïstische geloofsovertuiging maar is algemeen erkend als religie, zelfs hoewel het scherp contrasteert met het christendom. Terwijl boeddhisten het bestaan van goden niet ontkennen, worden deze wezens geen rol toegeschreven die op enige manier die van opperwezen of schepper benadert. Zelfs in de Japanse Pure Land sekten (jodoshu en jodoshinshu), die nadrukkelijk het idee aanhangen van de Boeddha zelf als redder, wordt de Boeddha niet beschouwd als een schepper-god.

III.III. De Doctrines van het Theravada-boeddhisme

Het theravada-boeddhisme wordt vaak beschouwd als de traditie van het boeddhisme die de oorspronkelijke leerstellingen van Gautama Boeddha het dichtst benadert. Zijn doctrines tonen weinig gelijkenis met de stellingen van het christendom of andere monotheïstische religies. In geen van de leerstellingen van het theravada-boeddhisme wordt het bestaan van een opperwezen of een schepper-god aangegeven. In plaats van als het product van een schepper-god wordt de waarneembare wereld gezien als onstoffelijk en de mens als net zo vluchtig, zonder onsterfelijke ziel. Het hele bestaan wordt gekenmerkt door lijden en de boeddhistische leerstellingen trachten de mens uit die staat te bevrijden. De huidige omstandigheden van de mens zijn een gevolg van zijn karma, de wet van oorzaak en gevolg, volgens hetwelk daden uit eerdere levens de ervaring in de volgende levens vrijwel geheel bepalen. Aangezien levens als schakels in een oorzakelijke keten zijn, bestaat er een “conditionele originatie” van elke wedergeboorte. De mens ontstaat dus niet door een schepper-god, en er bestaat ook geen enkel begrip van een schepper-god, aangezien alleen verlichting de mens in staat zal stellen om bevrijd te worden van het lijden van de keten van wedergeboorten. Elke mens moet het pad van verlichting zelf opgaan, geleid door religieuze instructie. Het boeddhisme ontkent het bestaan van goden als zodanig niet, maar deze wezens zijn geen objecten van aanbidding en ze vervullen geen speciale rol. (Ze zijn restanten en uitvloeisels van andere religieuze tradities die het boeddhisme mogelijk heeft gemaakt.) Hoewel in het theravada-boeddhisme begrippen van een schepper-god en een redder-god, een onsterfelijke ziel en eeuwige bestraffing allemaal ontbreken, werd het boeddhisme niettemin gemakkelijk en universeel de status van wereldreligie toegekend.

III.IV. Het Jaïnisme is een Atheïstische Religie

Het jaïnisme is een erkende religie in India en in andere landen waar het beoefend wordt en wordt meestal opgenomen in de lijst van (gewoonlijk elf) grote religies. Sir Charles Eliot schreef erover: “Het jaïnisme is atheïstisch, en dit is meestal niet verontschuldigend of controversieel, maar geaccepteerd als een natuurlijke religieuze houding”. Hoewel jaïnisten het bestaan van deva’s, godheden niet ontkennen, worden deze wezens, net als menselijke wezens, geacht onderhevig te zijn aan de wetten van transmigratie en verval en bepalen ze het lot van de mens niet. Jaïnisten geloven dat zielen individueel en oneindig zijn. Ze zijn geen deel van een universele ziel. Zielen en materie worden noch gecreëerd noch vernietigd. Verlossing wordt bereikt door de bevrijding van de ziel van de vreemde elementen (karma’s) die haar omlaag halen – elementen die toegang tot de ziel krijgen door de passionele daden van de persoon. Dergelijke daden leiden tot wedergeboorte onder dieren of stoffelijke substanties: verdienstelijke daden leiden tot wedergeboorte onder de deva’s. Boosheid, trots, bedrog en begeerte zijn de belangrijkste obstakels voor bevrijding van de ziel, maar de mens bepaalt zijn eigen lot. Door zichzelf te beheersen en geen enkel ander wezen kwaad te doen en door een ascetisch leven te leiden, kan hij wedergeboorte als deva bereiken. Voor de vrome gelovige bestaan de morele regels uit het tonen van vriendelijkheid zonder deze terug te verwachten; zich verheugen in het geluk van anderen; proberen de nood van anderen te verlichten; en sympathie te tonen voor de crimineel. Zelfvernedering vernietigt verzameld karma.

III.V. De Sankhya-school van het
Hindoeïsme – Een Niet-theïstische Religie

De hindoereligie erkent zes oude en verschillende scholen als orthodox. Eén ervan, sankhya, is noch theïstisch noch pantheïstisch. Evenals het jaïnisme, onderwijst sankhya dat oermaterie en de individuele ziel beide niet geschapen en onvernietigbaar zijn. De ziel kan bevrijd worden door de waarheid te weten over het universum en de beheersing van de begeerten. In sommige teksten ontkent sankhya het bestaan van een persoonlijke oppergodheid, elk concept van godheid wordt beschouwd als overbodig en potentieel tegenstrijdig, aangezien de werking van karma de menselijke aangelegenheden stuurt tot het punt waar hij zelf kan bepalen dat hij bevrijding zoekt. De vier doelen van sankhya zijn gelijk aan die van het boeddhisme: het lijden kennen, waar de mens zich van moet bevrijden; het ophouden van lijden tot stand brengen; de oorzaak van lijden waarnemen (er niet in slagen om onderscheid te maken tussen de ziel en materie); en de manier leren om bevrijding te realiseren, namelijk, kennis onderscheiden. Net als andere scholen onderwijst sankhya het principe van karma: wedergeboorte is een gevolg van iemands handelingen en verlossing is ontsnapping uit de cyclus van wedergeboorten.

III.VI. Het Niet-theïstische Karakter van Sankhya

Sankhya omarmt een vorm van dualisme die niet draait om het bestaan van een god of goden. Dit is niet het christelijke dualisme van goed en kwaad, maar een radicaal onderscheid tussen ziel en materie. Beide zijn niet gemaakte, oneindig bestaande dingen. De wereld is een gevolg van de evolutie van materie. De ziel is echter onveranderlijk. De ziel lijdt omdat ze gevangen zit in materie; die gevangenschap is echter een illusie. Wanneer de ziel zich eenmaal bewust wordt dat ze geen deel uitmaakt van de materiële wereld, dan bestaat de wereld niet langer voor die bepaalde ziel en is ze vrij. Volgens de sankhya-theorie is materie onderhevig aan evolutie, oplossing en rust. Bij het evolueren brengt materie intelligentie, individualiteit, de zintuigen, morele eigenschappen, de wil en een principe, dat de dood overleeft en een verhuizing ondergaat, voort. Door met de ziel verbonden te zijn, wordt het fysieke organisme een levend wezen. Alleen in deze verbinding wordt bewustzijn gerealiseerd: noch materie noch de ziel op zich is bewust. Hoewel de ziel een vitaliserend element is, is ze op zich niet het leven, dat in de dood eindigt, noch is ze leven dat van het ene bestaan in het andere overgaat. Hoewel ze zelf niet handelt of lijdt, reflecteert de ziel het lijden dat plaatsvindt, ongeveer zoals een spiegel reflecteert. Ze is niet het intellect maar een oneindige en passieloze entiteit. Er zijn ontelbare zielen en ze zijn allemaal verschillend van elkaar. Het doel van de ziel is zich te bevrijden van waanbeelden en zo van gevangenschap. Eenmaal bevrijd is de staat van de ziel gelijk aan nirwana in het boeddhisme. Een dergelijk bevrijden kan vóór de dood plaatsvinden en de taak van degene die bevrijd is, is het onderwijzen van anderen. Na de dood is er een mogelijkheid tot totale bevrijding zonder dreiging van wedergeboorte. Sankhya heeft geen bezwaar tegen geloof in populaire godheden, maar deze maken geen deel uit van haar functie-opdracht. Het is kennis van het universum die verlossing brengt. In deze zin staan controle van de begeerten en niet moreel gedrag centraal. Goede werken kunnen slechts een lagere vorm van geluk teweegbrengen. Opoffering is evenmin effectief. Noch ethiek noch rituelen zijn van belang in de gang van zaken bij sankhya.

III.VII. De Ontoereikendheid van een Theïstisch Criterium

Uit de voorgaande voorbeelden van religieuze geloofsovertuigingen blijkt dat geloof in een opperwezen of enige andere vorm van theïsme geen toereikend criterium van religie is. Ondanks het aanhoudende, ouderwetse vooroordeel van sommige christelijke verslaggevers, zou dit punt in het algemeen meteen bevestigd worden door vergelijkende religieuzen en sociologen van religie. De status van religie zou niet onthouden worden aan het boeddhisme, het jaïnisme of de sankhya-school van het hindoeïsme, ondanks het ontbreken van enig idee van een opperwezen of schepper.

III.VIII. Het Geval van Taoïsme

Ook het taoïsme wordt algemeen erkend als religie, en wordt gewoonlijk opgenomen in boeken over vergelijkende religie, ondanks de moeilijkheid om zijn centrale overtuigingen in een samenhangende vorm weer te geven. In tegenstelling tot geopenbaarde religies, gebruikte het taoïsme verering van de natuur, mysticisme, fatalisme, politieke rust, magie en verering van voorouders. Het werd in China al eeuwen geleden als een georganiseerde religie erkend, met tempels, verering en geestelijken. Het verkreeg begrippen van bovennatuurlijke wezens, met inbegrip van de Jade Emperor, Lao-tse, Ling Po (marshal van bovennatuurlijke wezens), samen met de acht onsterfelijken van de Chinese folklore, onder wie de stadsgod en de god van het hart, samen met ontelbare geesten. Het taoïsme heeft echter geen schepper, een reddende god van de christelijke soort en een verwoorde theologie en kosmologie.

IV. Religieuze Taal en de Ontwikkeling van Christelijke Theologie
DOWNLOAD HET WITBOEK